Beveiliging bij kortsluiting [t-head1]
De beveiliging bij kortsluiting bestaat uit het voorzien in beveiligingsorganen die kortsluitingsstromen in de leiders van een stroomkring onderbreken, voordat zij een voor de leiderisolatie, de aansluit- en verbindingsplaatsen evenals de omgeving van de leidingen en kabels schadelijke verwarming kunnen veroorzaken.
Algemeen kan de toegestane uitschakeltijd t voor kortsluitingen tot max. 5 s bij benadering volgens de volgende formule worden bepaald.
of
Daarin betekenen:
t: toelaatbare afschakeltijd in geval van kortsluiting in s
S: aderdiameter in mm2
I: stroom bij volledige kortsluiting in A
k: constante met de waarden
Bij zeer korte, toelaatbare uitschakeltijden (< 0,1 s) moet het uit de vergelijking gevonden product k2 × S2 groter zijn dan de door de fabrikant aangegeven I2 × t-waarde van het stroombegrenzende beveiligingsorgaan.
Opmerking:
Aan deze voorwaarde is voldaan, wanneer een leidingbeveiligingszekering tot 63 A nominale stroom aanwezig is en de kleinste te beveiligen leidingdoorsnede tenminste 1,5 mm2 Cu bedraagt.
Opstelling van de beveiligingsorganen voor de beveiliging bij kortsluiting [t-head3]
Beveiligingsorganen ter beveiliging bij kortsluiting moeten aan het begin van elke stroomkring alsmede op alle plaatsen worden ingebouwd, waar de kortsluitstroombelastbaarheid wordt verlaagd, voor zover een voorgeschakeld beveiligingsorgaan de gewenste beveiliging bij kortsluiting niet kan waarborgen.
Opmerking:
Oorzaken voor de verlaging van de kortsluitstroom-belastbaarheid kunnen zijn: verkleining van de aderdoorsnede, andere aderisolatie.
Men moet afzien van kortsluitbeveiliging in gevallen, waar een onderbreking van de stroomkring gevaar op kan leveren.

