Beveiliging van de uitrusting [t-head1]
Beveiliging bij spanningsuitval [t-head3]
Bij terugkeer van de spanning na een netspanningsuitval mogen machines of delen van machines niet zelfstandig aanlopen, wanneer dat een gevaarlijke toestand of materiële schade kan veroorzaken. Met een magneetschakelaarbesturing kan door een overneemcontact gemakkelijk aan deze eis worden voldaan.
Bij schakelingen met continucontactgave kan een extra hulprelais met impulscontact in de voedende leiding van het stuurstroomcircuit deze taak overnemen. Maar ook de netscheider en de motorbeveiligingsschakelaars met onderspanningsafschakelspoel voorkomen betrouwbaar een zelfstandig aanlopen na terugkeer van de spanning.
Overstroombeveiliging [t-head3]
Voor aankomende netaansluitkabels heeft men normaal gesproken geen overstroombeveiliging nodig. De overstroombeveiliging wordt door het beveiligingsorgaan aan het begin van de voedende kabel overgenomen. Alle andere stroomcircuits moeten door zekeringen of vermogensautomaten worden beveiligd.
Voor zekeringen bestaat de eis, dat deze in het land van toepassing kunnen worden vervangen. Deze eis is niet van toepassing bij de inzet van vermogensautomaten, die bovendien nog andere voordelen bieden zoals alpolige vrijschakeling, snelle herinschakelgereedheid en verhindering van éénfaseloop.
Thermische beveiliging van motoren [t-head3]
Motoren boven 0,5 kW voor continu bedrijf moeten tegen overbelasting worden beveiligd. Voor alle andere motoren wordt de thermische beveiliging aanbevolen. Motoren, die vaak starten en remmen, zijn moeilijk te beveiligen en hebben vaak een speciale veiligheidsinrichting nodig. Voor motoren met koeling zijn ingebouwde temperatuurvoelers uitermate geschikt. Bovendien verdient het aanbeveling om motorbeveiligingsrelais met bimetalen in te bouwen, vooral als beveiliging tegen blokkering.

